Festivalkind

Van de ruim 20.000 bezoekers op Indian Summer Festival eind mei was June er één. Met mijn vriendin en haar zoon vormden we een groepje van vier. Voor June was het niet haar eerste festival, maar door corona was het lang geleden dat ze tussen zoveel bezoekers liep. Als we laat op de avond thuiskomen duikt ze nog even op de bank met een kopje thee. Haar vader vraagt wat ze allemaal heeft gezien. “Davina Michelle, Chef’Special en Krezip!”, klinkt het enthousiast. Refererend aan de genoemde optredens vraagt hij vervolgens: “En, wat vond je het leukst?”. Daar hoeft ze geen seconde over na te denken. “De mensen”, stelt ze. “De mensen waren het állerleukst”.

Of ik mijn jongen genoeg jongen laat zijn

Gisteren bekeek ik voor het eerst met aandacht het nieuwe spotje van SIRE. Ik heb tenslotte zelf een zoon dus ik voel me enigszins aangesproken door de vraag “of ik mijn jongen genoeg jongen laat zijn”. En ik ben nieuwsgierig, vooral naar hoe zo’n filmpje dan wordt opgebouwd.

Tussen tent en thuis

We waren op vakantie. Dachten we. In werkelijkheid bleek het bij momenten creatief overleven te zijn in een tent die te klein was voor het weer dat erbij geleverd werd. En voor onze kinderen. Of eigenlijk: voor een van onze kinderen. Beiden hebben ze meestal maar een kleine vierkante meter nodig om zich te vermaken, maar eentje doet dat het liefst een meter of wat bij ons vandaan. En dat gaat niet, in een tent waar per dag wat meer water omheen stroomt. En dus werd het een uitdaging om hem te vermaken of hem aan te sporen zichzelf te vermaken. Dat lukte gelukkig aardig, zo nu en dan. Als hij in zijn eigen tentje kon spelen, bijvoorbeeld.

En gelukkig zaten we de laatste vakantiedagen in een mooie bed & breakfast met droge vloeren en kamers met echte deuren in plaats van doeken. Allemaal prachtig, maar voor de peuter deed het weinig. Ja, nu met een televisie erbij werd het ons iets makkelijker gemaakt, maar wegens het alom bekende risico op vierkante ogen moest dat ding toch ook weer een keer uit. Dan maar weer de mp3-speler (uitvinding tot en met trouwens. Wat nou beeldschermpjes in de auto. Gewoon Guus Meeuwis en K3 en een koptelefoon en zorgen dat ze te allen tijde opgeladen zijn. En mochten ze in Frankrijk ooit stuk gaan op dag 1 van je vakantie: rijd naar de dichtstbijzijnde Decathlon en koop voor een paar tientjes opnieuw pure rust en mail op vakantie nog de leverancier van die kapotte dingen om hem te bedanken – maar.dan.niet. Tip van een ervaringsdeskundige).

Maar goed, tussen de vragen van “waar is mijn muziekluister?” hoorden we ook veel andere dingen en dat waren lang niet altijd gezellige-want-het-is-vakantie-dingen. Dat geeft niets, we vroegen ons vooral af hoe dat nou zo ineens kwam. Uiteindelijk kwamen we tot een flauwe conclusie van iets als ‘peuterleeftijd hè’. Daar houd ik niet van, van (kinder)gedrag dooddoenen met dit soort uitspraken: liever zoek ik naar een constructief aanknopingspunt. Maar na dagen van goed slapen (oké, hij viel anderhalf keer uit z’n bed, dat wel), eten, actief zijn, persoonlijke aandacht, spelen en een ijsje hier en daar viel er weinig anders meer te bedenken dan ‘hij is drie’. Dat wil zeggen: totdat we thuis kwamen. Na één voet over de drempel hadden we onze eigen peuter weer terug. Blijkt -ie- gewoon nogal honkvast te zijn. Helaas voor hem gaan we volgend jaar zeer waarschijnlijk weer op vakantie en misschien nog wel langer ook. En dan niet naar Frankrijk, dus dat wordt zorgen voor een reserve mp3-speler onder in de koffer.

[slideshow_deploy id=’1470′]

Over vervelen en vervelend

De laatste schooldag. Zes weken vakantie. Door sommigen wordt het gebracht alsof het De Grote Verlossing is. Sinds de kalender juni aanwees, beginnen of eindigen de meeste praatjes met ‘Lekker hè, bijna vakantie. Echt aan toe’, gevolgd door de vraag ‘gaan jullie nog weg?’. Bij elkaar duurt die hele vakantiepraat dus ruim drie maanden, want als je terug bent mag je nog tot in september aan de kapper of de mevrouw naast je in de wachtkamer bij de dokter vertellen wat je ‘van de zomer hebt gedaan’. Je kan dus maar beter zorgen dat je wat meemaakt in die veertien dagen, anders wordt het wel erg zeuren. Zeker bij onze dokter in de wachtkamer, want daar zit je gemiddeld anderhalf uur. Op een rustige ochtend.

Over Den Bosch en het Boekenbal

Eigenlijk begon dit verhaal in 2015 al.

Ik deed mee aan een schrijfwedstrijd van een nieuw platform. Eenmaal ingezonden was het de bedoeling zoveel mogelijk stemmen te verzamelen voor je bijdrage. Om het makkelijk maar wel oh zo eerlijk te maken moesten de stemmers via allerlei omwegen ‘even’ een account aanmaken, waardoor ik zo ongeveer meteen alweer spijt had hieraan begonnen te zijn. Ja, alleen van dat stemmen verzamelen. Niet van mijn bijdrage. Die was gewoon goed. Niet de beste, dat wist ik ook wel. Maar toch zeker goed genoeg voor de shortlist. Wat ik ook wist: dat ik naar de prijsuitreiking zou. Op zich vreemd, aangezien ik reeds had besloten dat ik geen kans maakte op winnen en ik er voor naar Den Bosch moest afreizen.

Tweederangs wachtende zwembadmoeders

 

moeder3

Tweederangs wachtende zwembadmoe‘der – (de; v; meervoud: tweederangs wachtende zwembadmoeders; verkleinwoord: tweederangs wachtend zwembadmoedertje)

Betekenis:
1. Vrouw die één of meer kinderen op zwemles heeft en die doorgaans aan de tafel verder van het kijkraam gaat zitten om in de tussentijd wat te werken in tegenstelling tot eersterangs wachtende zwembadmoeders die direct bij het kijkraam zitten.
2. Vrouw die wacht als een moeder die alleen maar wachten zonde van de tijd vindt en zodoende een en ander tracht te combineren. Niet te verwarren met de negatieve connotatie die men doorgaans hangt aan ‘tweederangs’, alsof zij niet meetellen in vergelijking met de personen ‘eersterangs’.
(informeel) tweederangs wachtende zwembadmama

Ik kreeg gezelschap vandaag.

laptop-zwembad

– Ja, ik dacht nu ik neem ook gewoon m’n werk mee. We zitten hier toch een uur.”

-“Precies mijn gedachte. Alleen nog ff goede wifi en ik maak hier m’n kantoor.”

– “Dat is wel jammer trouwens, want kan nu bijna niks.”

– “Maak anders ff een hotspot van je telefoon voor internet.”

– “Briljant!”

– “Top!”

– “Neem gerust een tomaatje hè.”

– “Dank je.”

– “Oh, zwaaimomentje geloof ik.”

*Zwaai, zwaai*

– “Tomaatje nog?”

– “Ja, waarom ook niet.”

Huilen en

Ouders (lees: moeders) die na vier weken babygeluk op Insta posten dat ze “zo ontzettend trots zijn” op hun zuigeling: heb ik niet zoveel mee. Vaak worden er maten en gewichten van het eerste bezoek aan het consultatiebureau bij gezet om hun mening kracht bij te zetten: kijk, 400 gram zwaarder! En voor het laatste beetje overtuigingskracht mogen vijftien ❤ -tjes niet ontbreken, want hé, een berichtje zonder vijftien ❤ -tjes is zo ongeveer hetzelfde als geen berichtje.

Letters en lippenstift

“Oh mijn God, wat een haar!”, aldus de verloskundige toen June nog maar één wee verwijderd was van geboren worden. Even voor de duidelijkheid: ze refereerde dus aan het donkere koppie van onze dochter, en niet aan eh…nou ja, aan mij. In elk geval, na twee dagen maakten we een mooie Zwitsal-kuif van Junes lange lokken.

Vaderschapsverlof

Dus. Ik zag vandaag een filmpje waarin twee vaders en een mevrouw van Rutgers op een plein in Den Haag duidelijk willen maken dat het tijd is voor maar liefst drie maanden betaald (!) vaderschapsverlof. Ze hadden twee kinderwagens met poppen erin meegenomen, die demonstratief een paar meter verderop werden neergezet “want de vaders hadden nu dus geen tijd om voor ze te zorgen”.

Slingers

“Mam, schuif eens op. Ik wil er ook bij.”

Tuurlijk kind.

“Waarom lig jij eigenlijk met papa in één bed?”

Quality time. Blegh.

Het is vakantie en meteen vult het scherm zich met het ene quality time-kiekje na het andere: ouder-en-kind-selfies in de bios, stralend op het strand, lachend op een uitkijktoren of gewoon gezellig aan de warme chocomelk…allemaal überhippe quality time vastgelegd en gepubliceerd (want dan is het waar).